Herfst, het kleurrijkste seizoen van het jaar, maar ook het seizoen vol weemoed en nostalgie.



 Vivaldi - Fall/Herfst/Automne
 
 
 
  
 
01. September02. Herfst (J.W. Schulte) - 03. De bladeren vallen - 04. Herfst (Hanny Michaelis) - 05. Herfst (Vasalis) - 06. Herfst (Paul van Ostaijen) - 07. Misschien is ’t goed (Gaston Burssens) - 08. Koortsdeun - 09. Stem van de Herfstregen - 10. November - 11. Edith Piaf - Autumn Leaves(Les Feuilles Mortes) - 11. Doodgaan I. - 12. In de herfst - 13. Verdrietig kind, verdrietig gedicht - 14. Kil15.Heer Herfst - 16. Herfstgeuren -

 
  01. September


September blaas uw gouden vlammen
Door al de wijde wereld heen!
Blaas van nog boordevolle stammen
Het kwijnend afval naar beneên!
Begraaf ons in uw gulle goud,
Tot ons onstuimige verlangen
Barst boven al uw wilde zangen
En feest in al uw vruchten houdt!

September blaas uw witte buien
Als blâren van een rozenstok!
Blaas aan ons hart, tot het gaat luien
Als de uit goud gegoten klok!
Totdat ons hoofd zijn lichten draagt
Als de aan uw goud ontstoken lampen,
Tot straalt door al uw blinde dampen
De dag, die uit uw donker daagt!

September blaas de hemel open!
Blaas door de wolken wagenwijd!
Tot onze harten overlopen
Van ’t goud dat uit de hemel glijdt!
Tot onze schoot uw licht bewaart,
Tot wij de lichte wereld loven –
Tot onze ogen gaan geloven
Aan alle heerlijkheid op aard!

Van zon en zomer (1918)
C.S. Adama van Scheltema

 
 
  02. Herfst

 
Het licht is helder, het geluid
straalt seinen van herkenning uit
uit hemelen van heerlijkheid
die overlopen in de tijd,
 
die openbreken blauw en goud
met rode vlammen in het hout,
en in het hart een warme toon
om wat moet sterven groot en schoon.
 
Een ruiter is het hart, het gaat
zo trots de sterfelijke straat,
en licht voor dezen dood de hoed,
voor wien het eenmaal buigen moet.

J. W. Schulte Nordholt.

 
 


03
. De bladeren vallen

De bladeren vallen
stil, een voor een.
De vogelkens alle
die gaan nu heen.

Leêg liggen de velden,
zoo kaal en bloot;
de stoppelen melden
den zomerdood.

'k Hoor 't roepen van kranen,
die trekken voorbij;
een stil vermanen:
ook gij ... ook gij ...

A. Sauwen

 
 
  04. Herfst (Hanny Michaelis)

De bomen roesten in het zieke licht
langs somber in zichzelf gekeerde grachten.
In wilde, stormdoorvlaagde regennachten
vertoont de maan een bleek, behuild gezicht

boven de lege straten, smalle schachten
waar in een onverbiddelijk gericht
de zomer langzaam voor het najaar zwicht,
terwijl de huizen op het einde wachten.

Tegen de morgen is de strijd beslecht.
Een vage geur van heimelijk bederven
heeft aan de moede wind zich vastgehecht.

Tussen een handvol dunne zonnescherven
heeft zich de zomer moeizaam neergelegd
om eenzaam en onopgemerkt te sterven.

Hanny Michaelis
uit 'Verzamelde gedichten'
Van Oorschot 1996

 
 
 

05. Herfst (Vasalis) 

Nooit ben ik meer in mijn gedachten groot,
steeds zeldner denk ik dat mijn werklijk wezen
zich tonen zal en durven te genezen

van de steeds naderende duidelijker dood.

Vandaag zag ik de hemel door het weemlend lover
verbleken tot een doodlijk zuivere helderheid.
Ik heb mezelf nog van geen ding bevrijd

en er is haast geen tijd meer voor mij over.

Er ruist een hoge ruime wind
door de recht opgerezen bomen;
aan het zwarte water is een hert gekomen,

 en door het oevergras schijnt laag de zon . . .
Dit is het enig antwoord, dat ik vind,

dat mij bevrijden zou, zo ik 't vertalen kon.

Vasalis 1909 - 1998
uit: Parken en woestijnen

 

06. Herfst (Paul van Ostaijen) 

Zij die vóór mij kwamen en dichters waren,
zij hebben hun droefenis, in de Herfst, uitgesproken
en eenheid gevoeld tussen hun gebroken

leven, met het vaarwel aan de drommen hunner dromen,
en het sterven der zonneblaren aan de dorre bomen.

Zij hebben gezegd: de Herfst was 't schoonste getij,
al was hij dan ook droefeniszwaar en de baar van de zomer blij,
zij wisten zich een groot geluk, toen hun leed

met het getij één was en sterk kompleet.

Maar zó kan ik de Herfst niet voelen, zó is hij niet in mij:
het gulden doodgaan in rijk-trillend getij.
Zó was het misschien vroeger; nu mijn droefenis inniger is,

nu voel ik van de Herfst enkel d'onvolmaakte vunzige treurenis.

 Nu voel ik hoe een sterrevende zonneschijn
vermeerdert van dit treurende getij de werkelijke pijn;

vermoeid of niet, - wie kan het weten? - draagt als een stramme vrouw
de Herfst zijn lustloze dagen, zonder warmte, zonder kou.
 

Uit: Paul van Ostaijen - Music Hall

 
 

07. Misschien is ’t goed (Gaston Burssens) 

Misschien is ‘t goed te sterven in de herfst
wanneer de nacht het dichtst is en de dag het verst
misschien – ik weet het niet – wie zou het weten –

het gaat alleen maar om vergeten

er zijn alweer zovele maanden henen
van regendagen en het droge wenen
van tranen die te veel gestort zijn

van zonnedagen die nog al te kort zijn
om blij te wezen in het weten

dat een verdriet vergaat in vaag vergeten
van lange nachten die nog al te lang zijn

om kinderen te genezen die te bang zijn
met open ogen in de nacht te staren

 ach maar hoe zal men ooit verklaren
hoe schoon het is te sterven in de herfst

ofschoon de herfst de dood is voor wie sterft
en voor wie sterven heeft gezien

zo waarlijk dat hij zelf een weinig is gestorven…...

 
 
 

08. Koortsdeun 

‘t Is triestig dat het regent in den herfst,
dat het moe regent in den herfst, daar-buiten,
- En wat de bloemen wegen in de herfst;

- en de oude regen lekend langs de ruiten...

 Zwaai-stil staan grauwe boomen in het grijs,
de goede sidder-boomen, ritsel-weenend;

- en ‘t is de wind, en ‘t is een lamme wijs
van kreun-gezang in snakke tonen stenend...

 - Nu moet me komen de oude drentel-tred,
nu moet me ‘t oude vreê-beeldje gaan komen,

mijn grijs goed troost-moedertje om ‘t diepe bed
waar zich de warme koorts een licht dierf droomen,

en ‘t wegend wee in leede tranen berst...

...'t Is triestig dat mijn droefheid thans moest komen,
en loomen in ‘t atone van de boomen;
- ‘t Is triestig dat het regent in den herfst...

Karel Van De Woestijne
(1878-1929)

 
 
 
 09. Stem van de Herfstregen

Wees niet bevreesd
wanneer de vlagen gaan
rondom uw huis
- het is uw aards verblijf.

Wees niet bevreesd
als ziekte u komt slaan
- uw lichaam was altijd
een aards verblijf.

Zonder bekommernis
laat u ontgaan
roem, eer en staat;
- zij zijn een aards bedrijf.

Maar wees bevreesd
wanneer de tranen gaan,
de bevende,
om wat is aangedaan door u.
De liefde is uw eeuwige verblijf.

Ida Gerhardt,
uit: Zeven maal om de aarde te gaan
 
 

10. November


Het regent en het is november:
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.

En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.

De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dode 'erinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.

Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan den tijd;
Altijd november, altijd regen,
altijd dit lege hart, altijd.

J.C. Bloem

 
 
 
 
 11. Edith Piaf - Autumn Leaves(Les Feuilles Mortes)  
 
 
 

The falling leaves
Drift by the window
The autumn leaves
All red and gold
I see your lips
The summer kisses
The sunburned hands
I used to hold.

Since you went away
The days grow long...
And soon I'll hear
Old winter songs
But I miss you most of all
My darling, when autumn leaves start to fall...

C'est une chanson
Qui nous ressemble
Toi qui m'aimais
Et je t'aimais
Nous vivions tous les deux ensemble
Tou qui m'aimais
Moi qui t'aimais

Mais la vie sépare
Ceux qui s'aiment
Tout doucement
Sans faire de bruit
Et la mer efface sur le sable
Les pas des amants désunis.

Since you went away
The days grow long...
And soon I'll hear
Old winter songs
But I miss you most of all
My darling, when autumn leaves start to fall...

 
 
 
11. Doodgaan I.


De bomen dorren in het laat seizoen,
En wachten roerloos den nabijen winter...
Wat is dat alles stil, doodstil... ik vind er
Mijn eigen leven in, dat heen gaat spoên.

Ach, 'k had zo graag heel, héél veel willen doen,
Wat Verzen en wat Liefde, -- want wie mint er
Te sterven zonder dees? Maar wie ook wint er
Ter wereld iets door klagen of door woên?

Ik ga dan stil, tevreden en gedwee,
En neem geen ding uit al dat Leven meê
Dan dees gedachte, gonzende in mij om:

Men moet niet van het lieve Dood-zijn ijzen:
De dode bloemen komen niet weêrom,
Maar Ik zal heerlijk in mijn Vers herrijzen.

Willem Kloos

 

 

12. In de herfst

 Hol en leeg van verlangen
en de gele amberen bomen

de groene en barnstenen stammen.

 Het licht hangt stil in de blaren.

 Mijn hart is te veel geopend,
te veel in het licht gevangen

in der wolken licht varen…

En pijndoend, schrijnend dromen
weg van mijzelf te komen
En eigenlijk zo wanhopend.

M. Vasalis,
uit Parken en Woestijnen.
Uitgeverij van Oorschot 1940

 

 

13. Verdrietig kind,
verdrietig gedicht


Ik ben de herfst.
Ik ben de regen.
Ik ben de storm.

Zoek mij maar op,
ik sta in alle gedichten.

Houd mij maar vast,
ik heb het koud en ik ben moe,
en nog zoveel bladeren aan de bomen,
nog zoveel bladeren overal.

Toon Tellegen
uit: Daar zijn geen woorden voor,
een keuze uit de gedichten

 

14. Kil 

De herfst wordt nu kil.
De meeste bomen houden hun groen vol,
maar de berken, van vorm en tint toch al ijl,
slinken tot geesten.
Hun schemerende skeletten zijn behangen
met dunne gouden munten waar de zon doorheen schijnt,
versleten dukaten die zullen
vallen op vochtige Hollandse zandgrond.

Hans Andreus,
uit: Groen land

 

15. Heer Herfst

Vrouwe zomer is heengevaren
Over de blauwe zee:
Wel honderdduizend vogeltjes

Namen vrouwe Zomer mee.

Zag je haar henenreizen
Tussen haar zangersvolk?
Zag je har hand nog wuiven

Blank door een spreeuwenwolk?

Nu komt heer Herfst gereden
In snelle, woeste galop
Een oliejas om de schouders

En een grote zuidwester op.
 

Waar is de goud-zijen mantel,
Die hij andere jaren had ?
Waar is de krans om zijn slapen

Van roodbruin eikenblad ?
 

Hij jaagt zo donker daarhenen:
Een grimmige grauwe held
‘Heer Herfst, wie heeft je verslagen,

Ginds in het oktoberveld ?'
 

'Twee reuzen, slagregen en stormwind,
Hebben mijn  rijk overstroomd;
Zij hebben mijn hoven geplunderd,

Ontbladert struik en geboomt’.
 

'Zij hebben mijn feestkrans gestolen,
Mijn gouden mantel verstopt;
Ik heb bij de zon en de sterren

Vergeefs om hulp geklopt.'
 

In oliejas en zuidwester
Rijdt hij verbijsterd door ’t woud
En zoekt in de ontbladerde lanen

Vergeefs naar zijn mantel van goud.

Margot Vos
Uit: Rozemarijn

  

16. Herfstgeuren

Een fluitende wind en
gekraak van takken.
Dwarrelbladeren weven
bronskleurige tapijten.

Geknakte rietstengels langs
de modderige sloot.
Een lichte nevel
klam en vochtig.

Glijvlucht over
glibberige grond
door geelgroene
bruine bladmoes.

Overal geflierefluit van jewelst

Grauwe ganzen gakken.
Klapwiekende dansers
in V – formatie,
vliegen allen zuidwaarts
naar de horizon.

Een achtergebleven lijster
hangt dood in een struik,
een buizerd loert ernaar
op zijn veel te dunne tak.

Rim Sartori