Gedichten van Hanny Michaelis [1922-2007]

 
 19 december 1922 - 11 juni 2007
 
 
Hanny Michaelis was enkele jaren  [van 1948 tot 1959] getrouwd met Gerard Reve, met wie ze veel plezier beleefde, maar die haar ook veelvuldig treiterde en wiens homoseksualiteit hun huwelijk uiteindelijk tot een rampzalige vergissing maakte. Michaelis en Reve bleven wel de rest van hun leven bevriend.
De allergrootste ramp in het leven van Hanny Michaelis vond plaats in de Tweede Wereldoorlog: de dood van haar beide ouders in de gaskamers. Die dood heeft zij nooit echt kunnen verwerken; zij raakte er psychisch door in de knoop.
met Gerard Reve op de Dam
 
 
 
 
 
 01. Met de jaren

Met de jaren
moet er veel worden weggegooid.
De gedachte bij voorbeeld
dat geluk mild is en duurzaam
iets als een zuidelijk klimaat
in plaats van een blikseminslag
die levenslang gekoesterde
littekens achterlaat.
 
uit: 'Onvoorzien' (1966)

 


02. Als ik je aan zie komen
 
Als ik je aan zie komen
met de bedaarde waakzaamheid
van een dier op weg
naar zijn drinkplaats
probeer ik je te laten zijn
wat je jarenlang bent geweest:
een vreemde die ik nauwelijks
kende. Maar zodra
je op de drempel staat
ben je heer en meester van
de situatie en van mij
die je optilt als een kleuter
en als vrouw in je armen houdt.

uit: 'Verzamelde gedichten' (1996)


03. Sinds die nacht

Sinds die nacht die ons
weer bijeen moest brengen
en die ons verder dan ooit
van elkaar heeft vervreemd
ben je langzaam maar zeker
aan mijn gedachten ontglipt.
Alleen vraag ik me soms nog af
hoe je rode kater het maken zou
die 's morgens natgeregend op het bed
sprong en ons onder luid gesnor
geestdriftig kopjes gaf alsof
er iets viel goed te maken.
Hij was liever voor ons
dan wij voor elkaar, maar hij
had dan ook niets te vrezen.

uit: 'De rots van Gibraltar', 1969



04. Jaren later

Jaren later
op een heldere middag
vol nuchtere geluiden
en bezigheden in een huis
dat je nooit heeft gekend,
herinner ik mij plotseling
hoe zacht je ogen werden
als je mij aankeek.

En even verschijn je mij
ten voeten uit, onverwacht
overgekomen uit het tijdeloze.
Zo zacht zijn je ogen
dat ze mij verzoenen
met je weggaan, sneller
en onverwachter dan je komst.

uit: 'Tegen de wind in', 1966
 
 

05. Van iemand houden

Vroeger dacht ik
dat ik wist wat dat was.
Daarom durfde ik te zeggen
dat ik het deed.

Tegenwoordig kan ik het
al niet meer denken zonder
een kwaad geweten.

uit: 'Verzamelde gedichten', 1996.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 06. Ook al wacht ik

Ook al wacht ik
allang niet meer op een wonder
en kan ik de telefoon
horen rinkelen zonder
maar aan je te denken, toch
blijven geheimzinnige barricaden
opdoemen uit het niets zodra
mijn geest tracht door te dringen
tot de nachtzijde van je bestaan.
ten teken dat ik nog altijd
niet geleerd heb je te zien
als een uit het oog verloren kennis.

uit: Hanny Michaelis  'Verzamelde gedichten', 2006.


07. Het bladerloze licht

 
Het bladerloze licht
van een herfstdag zonder wind
maakt oude mensen
ontroerend mooi.

Doordat zij de worsteling
met het verval al lang
hebben gestaakt en spiegels
niet meer vrezen, zijn zij
broos geworden en doorschijnend
als gesponnen glas met de zachte
mysterieuze glans van zilver


08. Neem mij tot je

Neem mij tot je
als brood. Drink mij,
adem mij in.

De binnenkant van je huid
zal ik kussen, je gebeente
verwarmen. Je hart
dat als een getergde vogel
tegen de kooi van je ribben slaat,
zal ik liefkozen zachter dan
het licht de toppen der bomen.

Om alles wat mij
niet langer lief kan zijn.
smeek ik je: lijf mij in.
Buiten jou kan ik niet leven.


09. Wanneer ik alles had geweten

Wanneer ik alles had geweten
die avond toen de palmen zwart als inkt
hun spitse vingers sierlijk spreidden
tegen het uitgloeiende blauw
van een satijnen hemel -

wanneer ik alles had geweten
dan had ik me niet aan je vastgeklemd
toen uit de donkere doodstille zee
de maan omhoog kwam klimmen -

wanneer ik toen geweten had
dat we elkaar zouden vervloeken
om een geluk dat dood geboren werd,
dan was ik van je weggevlucht
tot waar de maan het water raakte
en ik teruggleed in de schoot
waaraan ik eens ontsprongen ben.

uit: Water uit de rots - G.A. Oorschot, Amsterdam - 1957


 
10. Het meisje

Ben ik na jaren nog het kind gebleven
dat zich, door lentes toverlicht verblind,
liet vangen door de speelse voorjaarswind
als hoog boven haar hoofd de wolken dreven?

Ben ik nog steeds het argeloze kind
dat zich aan zon en wind kan overgeven?
Is het dezelfde band waarmee dit leven
mij aan een wereld vol geheimen bindt?

Weer laat ik door de voorjaarswind mij vangen.
Weer dwaal ik als een kind door lentes land,
verblind van licht, met oververbloosde wangen.

Maar 'k heb mijn onbevangenheid verpand -
diep in mij laait de vlam van het verlangen:
een vuur dat niet in kinderen ontvlamt.

uit: Klein Voorspel - Meulenhoff, Amsterdam
 
 
 
 
 
 
 
 11. Schemering

In de voorwereldlijke schemering
waar nacht en dag elkaar vluchtig omhelzen
slapen zij naakt en schuldeloos
verstrengeld als op goddelijk bevel.

Voor hen geen boom der kennis,
geen appel en geen slang maar wel
het tikken van een kleine

feilloos afgestelde tijdbom:
straks laten ze elkander los,
zoeken hun voeten de begane grond,
het eigen gareel weer op.

uit: 'Verzamelde gedichten', 2006.
 
 
 12. Vanavond hoorde ik

Vanavond hoorde ik
dat de maan niet rond
maar peervormig is
met tenminste twee
uitstulpingen, misschien
wel drie. Toen ik later
naar buiten keek
klom een ronde
witgloeiende schijf
boven de daken uit
en ik betrapte me
op dezelfde koppigheid
waarmee ik andere
gedeukte illusies
in ere houd.

uit: 'De rots van Gibraltar', 1969.
 
 
13. Sinds

Sinds je mij voor altijd
bent binnengegaan,
ben ik tot aan de rand
van je vervuld.

Dwars door de rukwinden
van het verdriet
voel ik je onder mijn huid
bewegen, warm en goed
als vroeger
toen wij overnachtten
binnen de omheining van
elkanders armen.

Wat doet het er dan toe
dat de wereld leeg
en winters is geworden
nu mijn ogen
je nooit meer zullen zien
en ik mijn hoofd niet langer
in je schoot kan leggen?
 
uit: 'Tegen de wind in', 1973
 
 
 14. Briljant filosoferend

Briljant filosoferend
over het leven liet ik
de aardappels verbranden.
Een onmiskenbaar bewijs
van emancipatie.

uit: De rots van Gibraltar, 1969


 
 15. Een lied voor mezelf
op de wijze van het menselijk bestaan.

Vier en twintig uur ononderbroken
gelukkig te zijn geweest
is meer dan waar iemand
in deze wereld recht op heeft
en velen ooit te beurt valt.
Daarom, ga heen, steek je neus
in de wind of in de boeken,
wees welgemoed of hang je op,
maar vermenigvuldig je niet.
 

 
 

 16. ‘iemand is niet gekomen’.  

Kokhalzend wakker worden
tussen de gestolde feiten
van gisteren en eergisteren.

Opstaan, het licht trotseren.
Onder het oorverdovend
carillon van herinneringen
optornen tegen een geheugen
dat geen duimbreed wijkt.

Lachen, praten, overmoedig
denken dat het zo wel gaat.
Merken dat men zich vergist
ook hierin. Heel het treiterend bedrijf
van deze dag en alle volgende
in vier woorden samengebald:
iemand is niet gekomen.

1962

 
 
 

17. Het kind

Sedert de droomspin mij omspon
met duizend parelende webben,
zie ik hem spelen in de zon,-
het kind dat wij nooit zullen hebben.

Zijn ogen die het zonlicht vangen,
zijn klaar en helder als kristal
en onvertroebeld door verlangen:
ogen van voor de zondeval.

Hij glimlacht schuldeloos en wijs.
Zijn vogelstem streelt licht mijn oren.
Zijn wereld is het paradijs,
want hij is rein en ongeboren.

Ik mag mijn armen niet uitstrekken,
hem smekend met ons mee te gaan.
Waarom ook zouden wij hem wekken
tot een ontluisterd, aards bestaan?

Nimmer zal hij behoren bij
de uitgebloeiden, de verdorden
en nimmer lijden zoals wij
die nooit zijn ouders zullen worden.

Uit: 'Klein voorspel' (1949)
Uitgever: Meulenhoff

 

 
18. Toen ik nog leefde...

Toen ik nog leefde
in het heelal van je armen
en ademde door je huid,
stond het geheimschrift
van de sterren
in je ogen geopenbaard.
De witgouden bal van de zon
rolde de hemel rond
en de maan was een abrikoos
in de schaal van de nacht.

Maar nu
drijven sponzige wolken
over de stad. Huizen onwankelbaar
belemmeren het uitzicht.
Langs rechtlijnige straten
slaapwandel ik door de dag
met de regen van nu in mijn haren
en de steen van toen om mijn nek.

uit: Water uit de rots, Van Oorschot 1957
 

 
19. Herfst
 
De bomen roesten in het zieke licht
langs somber in zichzelf gekeerde grachten.
In wilde, stormdoorvlaagde regennachten
vertoont de maan een bleek, behuild gezicht

boven de lege straten, smalle schachten
waar in een onverbiddelijk gericht
de zomer langzaam voor het najaar zwicht,
terwijl de huizen op het einde wachten.

Tegen de morgen is de strijd beslecht.
Een vage geur van heimelijk bederven
heeft aan de moede wind zich vastgehecht.

Tussen een handvol dunne zonnescherven
heeft zich de zomer moeizaam neergelegd
om eenzaam en onopgemerkt te sterven.

Hanny Michaelis
uit 'Verzamelde gedichten'
Van Oorschot 1996
 



20. Onbekommerd toont Amsterdam...


Onbekommerd toont Amsterdam
haar rotte gebit, haar aan aardgas
stervende bomen, haar onrein water
waarin de zon zich weerkaatst.
Uit ontelbare vervuilde neusgaten
blaast ze kwaadsappige dampen
over haar daken vol televisie-antennes
en duiven, waarboven de hemel
licht wordt en weer donker, sterren
balanceren een paar minuten op de spits
van een kerktoren, carillons
mengen hun valse stemmen in
de oorverdovende musique concrète
van auto's, ambulances, pneumatische
boren, sloophamers, hei-installaties
en overal kruipen mensen in en uit
de schulp van hun huis, hun krot,
hun dierbare, gehate puinhoop.

uit: Wegdraven naar een nieuw Utopia
Van Oorschot 1971