Kerstgedichten, geschreven in tijden van oorlog



Tijdens mijn zoektocht naar gedichten over de kersttijd kwam ik heel wat kerstgedichten tegen die geschreven zijn in tijden van oorlog, vooral uit W.O. I (1914-1918) De tegenstelling van het feest van de Vrede en de gruwelen van de oorlog is des te groter tijdens de kersttijd. Ik vond genoeg van dergelijke gedichten (en verhalen) om er hier een pagina aan te wijden.




Een zeer bijzonder kerstverhaal.



Op kerstavond 1914 beginnen Duitse troepen hun loopgraven rond Ieper te versieren, plaatsen ze kaarsen en zingen kerstliederen. Vanuit de Britse loopgraven wordt daarop geantwoord met kerstgroeten. Het komt tot ontmoetingen in niemandsland en het uitwisselen van allerlei cadeautjes zoals voedsel, tabak en alcohol. Er vindt zelfs een voetbalwedstrijd plaats die naar verluidt door de Duitsers werd gewonnen. Die nacht stopte de artillerie met haar beschietingen.

December 1914, geen nieuws van het Westelijk front. Duitsers aan de ene kant en Belgen, Fransen en Britten aan de andere kant hebben zich, vaak slechts zo'n honderd meter van elkaar verwijderd, diep ingegraven in de kleigrond, afgeschermd door prikkeldraad. Deze linie loopt van de West-Vlaamse Noordzeekust tot de Zwitserse grens. In het noordelijke gedeelte van dit front gebeurt er tijdens de kerstdagen iets onvoorspelbaar: het is er kortstondig vrede.

De aanzet hiertoe geven uitgerekend de Duitsers, die de oorlog in augustus begonnen waren. Borden worden omhoog gehouden, eerst door hen en dan door hun vijanden: Frohe Weihnachten, Merry Christmas, we not fight, you not fight ...
Het nieuws van de 'vrede' in Vlaanderen verspreidt zich als een lopend vuurtje door de loopgraven; de soldaten leggen de wapens neer en gaan samen Kerstmis vieren. Kerstbomen worden neergezet in het niemandsland. De kaarsjes ontbreken niet. De vijanden zingen kerstliederen, de woorden 'peace', 'Frieden' en 'paix' zijn te horen.

De volgende dag worden de doden, die al wekenlang in het niemandsland liggen, gezamenlijk naar eeuwige rustplaatsen gebracht. Men ruilt tabak, pijpen, plumpudding, sigaren, rum, vaten bier, schnaps en wijn. De mannen tonen elkaar foto's van hun familieleden, praten over heimwee, en dat de oorlog maar snel voorbij mag zijn. Er wordt zelfs gevoetbald.

De legerleiders, ver verwijderd van elk schot in hun generaalstaven, worden echter onrustig van deze vrede. Er dreigt een vrede te groeien van onderop, tegen de wil van bovenaf. Zij dreigen daarom met strafmaatregelen en geven het bevel om weer te gaan schieten. Op de derde dag gebeurt dat dan ook aarzelend: de bloedige slachtpartij begint van voren af aan.


Kerstmis is dien dag dat ze niet schieten

Wannes Van de Velde (°1937-+2008)

't Was weer zover, het was weer Kerstmis
De kalkoenen waren dood
In ieder dorp in de Vlaanders was het feest
D'r werd gezongen en gezopen
Aan jenever gene nood
Voor de vader, voor de zoon en voor de geest

Maar op de slag van twelf uren
Werd er ook eens aan gedacht
Wat dit feestje in de grond zoal beduidt
't Was gemakkelijk te weten
Want het stond in de Gazet
Heel de wereld kwam er openlijk voor uit

Kerstmis is dien dag dat ze niet schieten
Dat er geen bommen uit de lucht worden gestrooid
Dat mitrailleurs van hun verdiende rust genieten
En de kanonnen met een kerstboom zijn getooid

Het is 't feest van d'oude Germanen
Ter ere van de zon
Zo vertellen ons de boeken zwart op wit
De roomse kerk legt het anders uit
Die zegt ons dat 't begon
Met een stalleke in 't Palestijns gebied

Maar dat zijn oude interpretaties
Van dit feest van goeie wil
Want onze tijd is toch voor alles militair
En de stilte van de nacht
Die ook wel heilig wordt genoemd
Wordt geleverd door de killers van la guerre

Spreek me niet meer van de Drie Koningen,
Dat is den ouwe trant
De drie commando's, da's veel meer in onze geest
Maar de soldaten van Herodes
Ja, die vind ik wel plezant
Dat zijn eigenlijk de groot' helden op dit feest

Maar hou de herderkens erbuiten
Want die zijn niet bij d'n troep
Die kennen zeker nog geen mijn uit een granaat
En de moeder van het kindeke
Zucht in 't midden van die'n hoop
Mijne zoon wordt binnen twintig jaar soldaat






Kerstnacht 1915

Regent het in de nacht?
De stille, de heilige nacht?
Spritst het niet duister en zacht?

Neen, ’t regent niet in de nacht,
De alles omhullende nacht,
De nacht is stom en wegend is de nacht.

Ik weet dat onder de nacht
Een mensdom grijnst en smacht
En dat de wolken waren
Als wijlen van dodenbaren.

En dat in reutelingen
Veel duizend lippen zich wringen,
En dat er duizenden sluipen,
Met messen uit holen kruipen.

En dat soms de aarde schokt,
In vlammen en kluiten brokt,
En dat veel schone gehelen
Tot splinters en leden zich delen.

En dat de vorsten en groten
In de ene nacht zijn besloten
En dat uit diepte, van ver,
Wordt uitgezien naar een ster.

En dat er lichten ijlen,
Omlaag, omhoge peilen,
En dat langs ’t firmament
De hete verwoesting rent.

Ik weet het, ik weet de nacht
Is over de aarde gebracht.
En dat de wolken waren
Als wijlen van dodenbaren.

Ik weet, ik weet, ach, zoveel,
Dat Jezus was sentimenteel
En dat ik hier lig en wacht
Of het niet regent zacht.

Jacobus van Looy



Laatste gebed van een Joods slachtoffer in een
Duits vernietigingskamp


Heer God,
Als U zult komen in Uw glorie,
Denk dan niet alleen
aan de mensen van goede wil.
Denk ook aan de mensen van slechte wil.
Maar denk dan niet aan hun gruweldaden.

Denk aan wat die daden
aan vruchten hebben opgeleverd:
bij sommigen geduld,
bij anderen moed.

Denk aan de kameraadschap,
aan de deemoed, de zielengrootheid en de trouw
die wij aan hen te danken hebben.

Heer God,
Geef dat de vruchten die wij hebben voortgebracht
hun eens tot redding mogen zijn.

bron: Dit gebed werd gevonden op een stuk inpakpapier bij het
ontruimen van een kamp. Het verscheen in een krantenartikel
van de hand van Hein Stufkens (Meer mededogen, minder
Tsjakka) in het Algemeen Dagblad van 21 december 1998.




De geboorte
 
Voor iedere moord zijn er woorden te weinig
en zwijgen de mensen als het graf van de man
die stierf door de hand van een naamloze dader,
want moord en geweld, daar schrikt niemand meer van.

Voor iedere oorlog zijn nog té veel soldaten,
te weinig verzet tegen bloeddorst en nijd.
Alleen kan de wereld nog hopen en wachten,
er moet iemand komen die alles bevrijdt,
er moet iemand komen die alles bevrijdt,
er moet iemand komen die alles bevrijdt...

Komt allen tezamen, want hij is geboren,
de redder van mensen, de sterre in 't land.
De hemel scheurt open met bloemen en koren,
hij loopt met een lelie van glas in zijn hand.

Z'n voetstap is licht, als het licht in zijn ogen,
de liefde z'n wapen, de vrede z'n strijd.
En hij doet de oorlog als een inktvlek verdrogen,
strooit zand op het bloed van de vorige tijd.

Vanaf dit moment komen andere tijden,
waar dichters van droomden, ze komen voorgoed.
En nu komt een einde aan angst en aan lijden,
verdwijnen de wolken van buskruit en bloed.

En overal groeien er parels van druiven,
het land van belofte verdrijft de woestijn.
En weer spelen wolven met mensen en duiven
en weer smaakt de regen op aarde als wijn.

In velden en wegen verjaagt hij de bozen
en strooit met z'n glimlach een baan voor de zon.
Opnieuw heeft de wereld de ruimte gekozen
en straalt weer als eerst, toen het leven begon.
 

Lennaert Nijgh.





Kerstvrede

Er werd gevuurd en gekorven*
In de loopgraaf wordt het stil.
Vredeloos zijn gestorven
Mensen van goede wil.

Thans naket* de ongeëvenaarde
Wonderzachte nacht.
Wit staat de dood op wacht.
Gods kinderen hebben de aarde.

------------------------------------------------------
* gekorven: van kerven - met zwaard of bijl te lijf gaan
* naket - komt naderbij

René de Clercq - Verzen uit den oorlogstijd (1915)



Kerstnacht aan de IJzer.

’t Is kerstmis. Aan d’IJzer in regen en nacht
Staat bibbrend en treurig een eenzame wacht.

Hij droomt… De familie zit weder geschaard
- ook hij - rond den kerstblok die vlamt in de haard.

Hij droomt en vergeet hoe alléén hij hier staat,
Hoe bits-kou de regen bespritst zijn gelaat.

Hij luistert – en over de Mangelgouw uit
Blij klangelt der klokken hoogfeestlijk geluid.

Hij droomt van een kerke vol schitterend licht:
Zijn kinderkes knielen voor ’t Goddelijke Wicht.

Een belleke rinkelt… een engelenstem:
"Adeste… "De vrede van Bethlehem.

Maar plots boemt geschut als gevloek wijd en zijd!
De jongen ontwaakt uit zijn droomen en … schreit;

’t is Kerstmis. Aan d’IJzer in regen en nacht
Staat bibbrend en weenend een eenzame wacht.

Pieter Meersseman
(uit: het frontblaadje "Boos Iseghem” einde 1916 )



Zeg aan het Kerstkind
 
Zeg aan het Kerstkind dat het wegblijft, moeder!
Laat het niet komen, wij hebben geen stal,
Geen os en geen ezel, geen schapen, geen voeder.
Geen avondlucht open voor englengeschal.
 
Wij hebben geen geest meer, die nog durft geloven,
Dat God waarlijk goed is; geen wijzen zien op
In het holst van de nacht naar de sterren hierboven;
Geen lied houdt de maat van onze angstharteklop.
 
Wij hebben hier enkel vijandige troepen
Tot heugnis der ziel aan uw heilige nacht
En de plicht om luidkeels 'Heil Herodus' te roepen
Met de kans om onnozel te worden geslacht.

Anton van Duinkerken



Kerstverlangen

Hoe zacht der klokken klagen,
Uitzindrend op mijn hert!
Het sneeuwt op donkre smert.
En vromen hoor ik vragen,
Terwijl de dag komt dagen,
Wat groots geboren werd.

Gebogen mensen rijzen
En zien elkander aan.
Voorbij de bloedige waan!
De volkren zijn te prijzen
Waar Koningen en Wijzen
Langs witte wegen gaan.

O gij, die recht en rede
Begeert, genoeg gedwaald.
De zoen des hemels daalt.
Verheugt u telkerstede:
Geboren is de Vrede
Die godlijk ademhaalt.

De Noodhoorn (1916) -  René de Clercq



Als de lichtjes doven

Op een slagveld klonk een stem,
was van ver te horen,
zong dat er in Bethlehem
een kindje was geboren.
In die nacht zo stil en groot
zwegen de kanonnen,
die zijn bij het morgenrood
toch opnieuw begonnen.

Kerstmis lijkt ons keer op keer
vrede te beloven,
maar kanonnen dreunen weer,
als de lichtjes doven.

Donkere Zuidafrikaan,
honger moet je lijden,
mag niet naar je vader gaan,
bent van hem gescheiden.
Wie dit hebben uitgedacht,
komen allen samen,
zingen plechtig Stille Nacht,
zonder zich te schamen.

Kerstmis lijkt ons keer op keer
vriendschap te beloven,
maar dan gaan ze altijd weer
alle lichtjes doven.

Turk en Griek en Marokkaan,
mogen die hier blijven?
Mogen die hier ook bestaan
of zal men ze verdrijven?

Kerstmis doet ons telkens weer
beterschap beloven,
laat dan deze ene keer
het lichtje niet weer doven.

Willem Wilmink