Jung: Visioenen


Visioenen

Bron: Herinneringen, dromen en gedachten Ė geredigeerd door Aniela Jaffé Ė ISBN 90-6069-306-x

Begin 1944 brak ik mijn voet, en dat werd gevolgd door een hartinfarct. In een toestand van bewusteloosheid beleefde ik deliria en visioenen, die moeten zijn begonnen toen ik in direct levensgevaar verkeerde en men mij zuurstof en kamfer toediende. De beelden waren zů overweldigend dat ik zelf concludeerde dat ik de dood nabij was. Mijn verpleegster zei later: 'U was door een helder schijnsel omgeven!' Dat was een verschijnsel dat ze soms bij stervenden gezien had. Ik was bij de uiterste grens en wist niet of ik droomde of in extase was. In ieder geval speelden zich hoogst indruk≠wekkende dingen af.

Het leek of ik me hoog boven in het wereldruim bevond. Ver onder me zag ik de aardbol, gedompeld in een heerlijk blauw licht. Ik zag de diep≠blauwe zee en de continenten. Diep onder mijn voeten lag Ceylon en voor me lag het subcontinent van India. Mijn gezichtsveld omvatte niet de hele aarde, maar haar bolvorm was duidelijk te herkennen, en haar con≠touren glansden zilverig door het wonderbaarlijke, blauwe licht. Op som≠mige plaatsen leek de aarde kleurig of donkergroen gevlekt, zoals geoxideerd zilver. 'Links' lag in de verte een uitgestrekte vlakte - de roodgele woestijn van ArabiŽ. Het leek alsof het zilver van de aarde daar een rood≠gele kleur had gekregen. Daarna kwam de Rode Zee, en, heel in de verte, ongeveer 'links boven', kon ik juist nog een stukje Middellandse Zee ont≠dekken. Vooral daarop had ik mijn blikken gevestigd. Al het andere ver≠scheen slechts onduidelijk. Ik zag weliswaar ook de sneeuwbergen van de Himalaya, maar daar was het nevelig of bewolkt. Naar 'rechts' keek ik niet. Ik wist dat ik op het punt stond de aarde te verlaten. Later heb ik geÔnfor≠meerd hoe hoog je in de ruimte moet zijn om een dergelijk ver uitzicht te hebben. Dat bleek ongeveer 1500 km. te zijn! De aanblik van de aarde vanuit deze hoogte was het schitterendste en meest betoverende wat ik ooit heb beleefd.

Nadat ik dit alles enige tijd aanschouwd had, keerde ik me om. Ik had om zo te zeggen met de rug naar de Indische Oceaan gestaan, met het gezicht naar het noorden. Daarna leek het alsof ik een draai naar het zuiden maakte. Er kwam iets nieuws in mijn gezichtsveld. Op geringe afstand zag ik in de ruimte een geweldige donkere steenklomp, zoals een meteoriet - ongeveer ter grootte van mijn huis, misschien nog groter. De steen zweefde in het heelal, en ik zweefde in het heelal.

Soortgelijke stenen heb ik aan de kust van Bengalen gezien. Het zijn blokken zwartbruin graniet, waarin soms wel eens tempels worden uitgehouwen. Zo'n reusachtig donker blok was ook mijn steen. Een ingang leidde naar een klein portaal. Rechts zat op een stenen bank een donkere IndiŽr in lotuszit. Hij droeg een wit gewaad en verkeerde in een volkomen ontspan≠nen houding. Zo wachtte hij me op - zwijgend. Twee treden leidden naar dit portaal; hier was links de poort naar de tempel. Ontelbare, in kleine nisjes aangebrachte holten gevuld met kokosolie en brandende kaarsenpitten, omgaven deze ingang met een krans heldere vlammetjes. Dat had ik ook eens in werkelijkheid gezien. Toen ik in Kandy op Ceylon de tempel van de Heilige Tand bezocht was de poort omlijst door een paar rijen van dergelijke brandende olielampjes.

Terwijl ik de treden naar de ingang in de rots naderde gebeurde er iets merkwaardigs met me: ik had het gevoel of alles wat ik tot dan had mee≠gemaakt van me afgenomen werd. Al mijn meningen, mijn wensen en ge≠dachten, de hele fantasmagorie van het aardse bestaan viel van me af, of werd me ontroofd - een uiterst pijnlijk proces. Maar er bleef ook iets over, want het was alsof ik alles wat ik ooit beleefd had of gedaan had, alles wat om me heen gebeurd was, nu bij me had. Ik zou ook kunnen zeggen: het was bij mij en dat was 'ik'. Ik bestond er om zo te zeggen uit. Ik bestond uit mijn verleden en had absoluut het gevoel: dat ben 'ik' nu. 'Ik ben deze bundeling van wat volbracht en geweest is'. - Deze belevenis gaf me het gevoel van uiterste armoede, maar tegelijk van grote bevrediging. Er was niets meer dat ik verlangde of wenste, maar ik bestond als het ware objec≠tief: ik was datgene wat ik doorleefd had. Aanvankelijk overheerste wel≠iswaar een gevoel van vernietiging, van beroofd zijn of geplunderd zijn, maar plotseling viel dat ook weg. Alles leek voorbij, het bleef een fait ac≠compli, zonder enige binding met het vroegere. Ik voelde geen spijt meer dat iets weggevallen of afgepakt was. Integendeel: ik had alles wat ik was en ik had alleen dat.

Nog iets anders hield me bezig: toen ik de tempel naderde was ik er zeker van dat ik in een verlichte ruimte zou komen en dat ik daar al die mensen zou aantreffen waar ik in werkelijkheid bij hoorde. Daar zou ik - ook dat was een zekerheid - eindelijk begrijpen in welke historische samenhang ik, of mijn leven, thuishoorde. Ik zou weten wat er vůůr me was geweest, waarom ik geworden ben en waarheen mijn leven verder zou stromen. Het leven dat ik had geleefd was me vaak als een verhaal voorgekomen dat geen begin en geen eind heeft. Ik had het gevoel een historische perikoop te zijn: een stuk tekst waaraan het voorafgaande en volgende gedeelte ont≠breken. Het leek alsof mijn leven met een schaar uit een lange keten was geknipt, en veel vragen waren onbeantwoord gebleven. Waarom is het zů gegaan? Waarom heb ik deze uitgangspunten meegebracht? Wat heb ik daarmee gedaan? Wat zal eruit volgen? Op al deze vragen - daar was ik zeker van - zou ik een antwoord krijgen zodra ik de stenen tempel was binnengetreden. Daar zou ik inzien waarom alles zů en niet anders geweest was. Ik zou daar bij de mensen komen die het antwoord op mijn vragen naar het ervoor en erna weten.

Terwijl ik nog over deze dingen nadacht, gebeurde er iets dat mijn aandacht trok: van beneden, vanuit Europa, steeg een gedaante omhoog. Het was mijn arts, of beter gezegd, zijn beeltenis, omlijst door een gouden ketting of lauwerkrans. Ik wist meteen: 0 ja, dat is mijn dokter die me behandeld heeft. Maar nu komt hij in zijn oergestalte; een Basileus van Kos. [* Basileus = koning, Kos was in de oudheid beroemd om zijn Asklepios-tempel en was de geboorteplaats 'van de arts Hippocrates (vijfde eeuw voor Christus) ]

Tijdens zijn leven was hij een avatar (incarnatie) van deze Basileus, de tijdelijke belichaming van de oergestalte die altijd al heeft bestaan. Nu komt hij in zijn oergestalte.

Vermoedelijk was ook ik in mijn oergestalte. Dat had ik weliswaar niet waargenomen; ik stel me alleen voor dat het zo geweest is. Nadat hij als een beeld uit de diepte naar me was toegezweefd en voor me stond, vond een stille gedachte-uitwisseling tussen ons plaats. Mijn arts was namelijk door de aarde afgevaardigd om me een boodschap te brengen: er werd tegen geprotesteerd dat ik op het punt stond heen te gaan. Ik mocht de aarde niet verlaten en moest terugkeren. Op het moment dat ik dat vernam eindigde het visioen.

Ik was ten diepste teleurgesteld, want nu leek alles tevergeefs. Het pijnlijke proces van de 'ontbladering' was tevergeefs geweest en ik mocht de tempel niet in, niet naar de mensen die bij me hoorden.

 

In werkelijkheid gingen er nog ruim drie weken heen, voordat ik kon besluiten weer te leven. Ik at niet omdat elk voedsel me tegenstond. Het uitzicht op de stad en de bergen vanaf mijn ziekbed leek me net een beschilderd gordijn met gaten, of een krant vol gaten en met foto's, die me niets zeiden. Teleurgesteld dacht ik: Nu moet ik weer in het 'kistjes≠systeem'! Het leek me namelijk alsof achter de horizon van de kosmos een driedimensionale wereld kunstmatig was opgebouwd, waar elk mens voor zich alleen in een kistje zat. En nu zou ik me weer moeten inbeelden dat dat iets waard was! Het leven en de hele wereld leken me een gevangenis, en ik ergerde me er grenzeloos over dat ik dat weer heel gewoon zou vinden. Ik was net zo blij geweest dat eindelijk alles van me afgevallen was, en nu was het alweer alsof ik - zoals alle andere mensen - aan draden opgehangen was binnen in een kistje. Toen ik in de ruimte stond, was ik gewichtloos en niets had er aan me getrokken. En dat moest nu alweer afgelopen zijn!

In stilte maakte ik mijn arts verwijten omdat hij me weer tot het leven had teruggebracht. Maar ook was ik bezorgd om hem: Mijn God, hij is in gevaar! Hij is immers in zijn oergedaante verschenen! En als iemand deze gedaante heeft bereikt is het zover dat hij moet sterven. Dan hoort hij al bij de kring van 'zijn mensen'. - Plotseling kwam de ontstellende gedachte bij me op dat hij moest sterven - in mijn plaats! Ik deed de grootste moeite er met hem over te praten, maar hij begreep me niet. Toen werd ik boos op hem. Waarom doet hij steeds alsof hij niet weet dat hij een Basileus van Kos is? En dat hij zijn oergestalte al heeft aangenomen? Hij wil me laten geloven dat hij het niet weet! Dat ergerde me. Mijn vrouw verweet me dat ik onvriendelijk tegen hem was. Ze had gelijk; maar ik nam het hem uiterst kwalijk dat hij niet wilde spreken over al datgene wat ik in mijn visioen met hem had beleefd. God nog aan toe, hij moet toch oppassen, hij kan toch niet zo onvoorzichtig zijn! Ik zou hem graag zeggen dat hij beter op zichzelf moet letten! Ik had de vaste overtuiging dat hij in gevaar was, omdat ik hem in zijn oergestalte ontmoet had.

Inderdaad was ik zijn laatste patiŽnt. 4 april 1944 - ik weet de datum nog precies - mocht ik voor het eerst op de rand van het bed zitten. Diezelfde dag moest hij bedrust nemen en hij is niet meer opgestaan. Ik hoorde dat hij koortsaanvallen had. Spoedig daarna is hij aan septicaemie (bloed≠vergiftiging) gestorven. Hij was een goed arts en had iets geniaals. Anders was hij me ook niet als Vorst van Kos verschenen.

In die weken leefde ik in een merkwaardig ritme. Overdag was ik meestal gedeprimeerd. Ik voelde me zwak en ellendig en durfde me nauwelijks te bewegen. Terneergeslagen dacht ik: Nu moet ik weer deze grauwe wereld in. - Tegen de avond viel ik in slaap en ik sliep tot ongeveer middernacht. Dan kwam ik tot mezelf en was wellicht een uur lang wakker, maar dan in een volledig veranderde toestand. Ik was als in extase, of in een toestand van allergrootste zaligheid. Ik voelde me alsof ik in de ruimte zweefde, alsof ik in de schoot van het heelal was geborgen - in een reusachtige leegte, maar vervuld van het grootst mogelijke geluksgevoel. - Dat is de eeuwige zaligheid, dat kun je volstrekt niet beschrijven, het is veel te wonderbaarlijk, dacht ik.

Ook de omgeving leek betoverd. Op dat nachtelijk uur warmde de ver≠pleegster wat eten voor me op, want alleen dan had ik trek in eten. Een tijdlang meende ik dat ze een oude Jodin was, veel ouder dan ze in werke≠lijkheid was, en dat ze rituele koosjere spijzen voor me bereidde. Als ik naar haar opkeek was het alsof ze een blauwe lichtkrans om haar hoofd had. Ik zelf - zo leek het me - bevond me in het Pardes rimmonim, de Tuin der Granaatappels, en daar vond de bruiloft van Tifereth en Malchoeth plaats. [*'Pardes rimmonim' is de titel van een kabbalistisch traktaat van Mose Cordovero uit de zestiende eeuw. Malchoeth en Tifereth zijn volgens kabbalistische opvatting twee van de tien sferen van goddelijke manifestaties, waarin God uit zijn verborgenheid tevoorschijn treedt. Ze beelden een vrouwelijk en een mannelijk principe binnen de godheid uit ]

Of ik was als Rabbi Simon ben Jochai, wiens bruiloft aan gene zijde werd gevierd. Het was de mystieke bruiloft, zoals deze in traditionele kabbalistische voorstellingen beschreven wordt. Ik kan u niet zeggen hoe wonder≠baarlijk dat was. Ik kon alleen maar voortdurend denken: Dat is nu de Tuin der Granaatappels! Dat is nu de bruiloft van Malchoeth en Tifereth! Ik weet niet precies welke rol ik daarin speelde. Welbeschouwd was ik het zelf: ik was de bruiloft. En mijn zaligheid was die van een zalige bruiloft. Geleidelijk aan verbleekte de beleving van de Tuin der Granaatappels en veranderde in iets anders. Nu kwam de 'Bruiloft van het Lam' in een feestelijk getooid Jeruzalem. Ik ben niet in staat de bijzonderheden daarvan te beschrijven. Het waren onbeschrijfelijke toestanden van zaligheid. Er waren engelen en er was licht. Ik zelf was de 'Bruiloft van het Lam'.

Ook dat verdween, en er verscheen een nieuw tafereel - het laatste visioen. Ik wandelde door een breed dal, dat uitliep in een zacht glooiende helling. Het einde van dit dal werd gevormd door een antiek amfitheater, dat prachtig in het groene landschap lag. En daar, in dit theater, vond de hieros≠gamos (heilig huwelijk) plaats. Dansers en danseressen traden op en op een met bloemen getooid rustbed voltrokken de Alvader van Zeus en Hera de hierosgamos, zoals deze in de Ilias beschreven is.

Al deze gebeurtenissen waren heerlijk, ik was de ene nacht na de andere in de zuiverste zaligheid gedompeld, 'omzweefd door beelden van allerlei crea≠turen'. Geleidelijk aan vloeiden de motieven ineen en verbleekten. Meestal duurden de visioenen ongeveer een uur; dan sliep ik weer in, en al tegen de morgen voelde ik: nu komt de grauwe ochtend weer! Nu komt de grauwe wereld met haar cellensysteem! Wat een nonsens, wat een ver≠schrikkelijke onzin! Want deze innerlijke toestanden waren zo fantastisch, dat daarbij vergeleken de wereld gewoonweg belachelijk leek. Naarmate ik weer dichter bij het leven kwam, nauwelijks drie weken na het eerste visioen, hielden de visionaire toestanden op.

Je kunt je geen voorstelling maken van de schoonheid, van de intensiteit van het gevoel tijdens de visioenen. Ze waren het geweldigste dat ik ooit heb meegemaakt. En dan dit contrast, de dag! Overdag was alles een kwelling, mijn zenuwen konden absoluut niets meer verdragen. Alles irri≠teerde me. Alles was te materieel, te grof en te zwaar, ruimtelijk en gees≠telijk beperkt, met onduidelijke bedoelingen kunstmatig ingeperkt - en toch bezat dit alles een soort hypnotische kracht waardoor het geloofwaardig werd, alsof het de werkelijkheid zelf was, terwijl men haar nietigheid toch  duidelijk had ingezien. In feite ben ik, ondanks een opnieuw opgevijzeld geloof in de wereld, nooit meer helemaal losgekomen van de indruk dat het 'leven' een fragment van het bestaan is, dat zich afspeelt in een hiertoe gereserveerd driedimensionaal wereldsysteem.

Eén detail herinner ik me nog nauwkeurig. In het begin, ten tijde van het visioen van de Tuin der Granaatappels, vroeg ik de zuster om verontschul≠diging als ze schade mocht oplopen: er was een grote heiligheid in het ver≠trek. Dat was gevaarlijk en kon schadelijk voor haar zijn. Natuurlijk begreep ze me niet. Voor mij was de aanwezigheid van het heilige een betoverende atmosfeer, maar ik vreesde dat ze voor anderen onverdraaglijk was. Daar≠om verontschuldigde ik me dat ik er zelf immers niets aan kon doen. Destijds heb ik begrepen waarom men over de ruimtevullende 'geur' van de Heilige Geest spreekt. Dat was het. Er was in het vertrek een pneuma van onuitsprekelijke heiligheid, waarvan de verduidelijking het Mysterium Coniunctionis was.

Ik had nooit gedacht dat je zo iets zou kunnen beleven, dat een voortduren≠de zaligheid ook maar mogelijk was. De visioenen en gebeurtenissen waren volkomen reŽel, niets was ingebeeld, maar alles was uiterst objectief.

 

Je voelt een zekere schroom om de uitdrukking 'eeuwig' te gebruiken, maar ik kan deze beleving slechts als zaligheid van een niet-tijdelijke toestand omschrijven, waarin heden, verleden en toekomst één zijn. Alles wat in de tijd gebeurt, was daar samengevat tot een objectieve totaliteit. Niets was meer uitgesplitst in de tijd, of kon naar tijdelijke begrippen gemeten worden. Deze beleving zou je het beste als een toestand kunnen omschrij≠ven - als een gevoelstoestand, die je je echter niet voor kunt stellen. Hoe kan ik me voorstellen dat ik tegelijkertijd ben als eergisteren, vandaag en overmorgen? Dan zou er iets nog niet begonnen zijn, iets anders was duide≠lijk heden en nog iets anders was al beŽindigd - en toch was alles één. Het enige dat het gevoel nog zou kunnen vatten zou een som zijn, een steeds van kleur wisselende totaliteit, waarin de verwachting over het beginnende evenzeer besloten ligt als de verrassing over het zojuist gebeurde en de be≠vrediging of teleurstelling over het resultaat van het voorbije. Een on≠beschrijfelijk geheel, waarmee je zelf verweven bent - en toch neem je het volledig objectief waar.


De ervaring van deze objectiviteit had ik later nog eens. Dat was na de dood van mijn vrouw. Ik zag haar in een droom, die op een visioen leek. Ze stond op enige afstand en keek me recht in de ogen. Ze was in de bloei van haar leven, ongeveer dertig jaar, en droeg de japon die mijn nicht, het medium, jaren geleden voor haar had gemaakt. Het was wellicht het mooiste dat ze ooit gedragen heeft. De uitdrukking van haar gezicht was niet op≠gewekt en niet treurig, maar objectief wetend en kennend, zonder de minste  emotie. Het was alsof ze aan gene zijde van de nevels der affecten was. Ik wist dat zij het niet zŤlf was, maar een beeld dat ze speciaal voor mij daar had neergezet of teweeggebracht. Het bevatte het begin van onze relatie en alles wat er tijdens drieŽnvijftig jaar huwelijk gebeurd was, en ook het eind van haar leven. Tegenover zo'n totaliteit sta je sprakeloos, want je kunt dat nauwelijks vatten.

De objectiviteit die ik in deze droom en in de visioenen beleefde, hoort bij de voltooide individuatie. Ze betekent een afstand doen van waardeoordelen en van datgene wat we gevoelsbindingen noemen. Over het algemeen hecht de mens zeer veel waarde aan gevoelsbindingen, maar deze bevatten altijd nog projecties, die teruggenomen moeten worden, wil men tot zichzelf en tot objectiviteit komen. Gevoelsrelaties zijn relaties vol begeerte, belast met dwang en onvrijheid; je verwacht iets van de ander waardoor deze en jij zelf onvrij worden. De objectieve kennis staat achter de gevoelsmatige betrokkenheid; zij schijnt het centrale geheim te zijn. Pas door haar is werkelijke coniunctio mogelijk.


Na deze ziekte begon voor mij een tijd van vruchtbare arbeid. Mijn belang≠rijkste werken zijn voor een deel pas daarna ontstaan. Deze kennis, of het aanschouwen van het einde van alle dingen, gaf me de moed nieuwe formu≠leringen te gebruiken. Ik probeerde niet meer mijn eigen mening door te zetten, maar vertrouwde me toe aan de stroom van de gedachten. Zo kwam het ene probleem na het andere naar me toe en vond zijn eigen vorm.

Er was echter nog iets anders dat het gevolg was van mijn ziekte. Ik zou het kunnen formuleren als een ja-zeggen tot het 'zijn' - een 'ja' zonder voorbehoud tot datgene wat is. zonder subjectieve tegenwerpingen. De voorwaarden van het bestaan accepteren, zoals ik ze zie, zoals ik ze opvat. En mijn eigen wezen accepteren zoals ik nu eenmaal ben. Bij het begin van mijn ziekte had ik het gevoel dat mijn instelling niet juist was en dat ik daarom in zekere zin verantwoordelijk was voor het ongeval. Maar als je de individuatieweg gaat, als je het leven leeft, moet je ook de vergissingen op de koop toe nemen, anders zou het leven niet volledig zijn. Er bestaat geen garantie - op geen enkel ogenblik - dat we niet op een dwaalspoor raken of in een dodelijk gevaar terechtkomen. Men meent wellicht dat er een veilig pad bestaat. Maar dat is het pad van de doden. Dan gebeurt er niets meer, of in geen geval het juiste. Wie de veilige weg neemt, is zo goed als dood.              

Pas na mijn ziekte begreep ik hoe belangrijk het ja-zeggen tegen het eigen lot is. Want pas dan is er een 'ik' aanwezig dat ook niet te kort schiet als er iets onbegrijpelijks gebeurt. Een 'ik' dat volhoudt, dat de waarheid ver≠draagt en dat opgewassen is tegen de wereld en het noodlot. Dan heb je met een nederlaag ook een overwinning behaald. Niets wordt verstoord - buiten noch binnen, want de eigen continuÔteit heeft standgehouden in de stroom van het leven en van de tijd. Maar dat kan alleen gebeuren als je je niet betweterig in de plannen van het lot mengt.

Ik ben ook tot het inzicht gekomen dat het denken dat zich in ons vol≠trekt als een feitelijke aanwezigheid aanvaard moet worden, aan gene zijde van alle waardeoordelen. De categorieŽn van waar en onwaar zijn wel altijd aanwezig, maar ze staan niet-verbindend terzijde - want de aanwezig≠heid van gedachten op zich is belangrijker dan hun subjectieve beoordeling. Maar ook deze waardeoordelen zijn op zich weer aanwezige gedachten die we niet mogen onderdrukken, want ook zij behoren tot de verschijning van de totaliteit.